Deze site zal er veel beter uitzien in een browser die webstandaards, ondersteunt, maar de site is toegankelijk met elk soort browser.
Jos fietste twee keer voor een goed doel:
Mensen trekken reeds sinds de Middeleeuwen naar Santiago de Compostela, naar het graf van de apostel Jacobus. Als bewijs van hun tocht brachten ze een Sint-Jacobsschelp mee terug naar huis.
In de Middeleeuwen kende men drie soorten pelgrims: zij die de bedevaart ondernamen uit vroomheid, zij die de tocht als boete en/of straf opgelegd kregen en zij die wilden begraven worden in heilige grond.
De hedendaagse pelgrim wordt gedreven door allerlei motieven. Hij onderneemt zijn tocht vaak uit religieuze overwegingen, soms omwille van het uitdagend karakter, om een gunst af te smeken, om kracht te zoeken, ...
Van de twaalf apostelen waren er twee met de naam Jacobus. De Jacobus die in Santiago vereerd wordt is Jacobus de Meerdere, broer van Johannes de evangelist. Zoals heel wat andere apostelen was Jacobus visser van beroep. Na de dood van Jezus trok hij gedurende zeven jaar in Spanje rond om over Jezus te vertellen. Bij zijn terugkeer in Jeruzalem, werd hij door Koning Herodus gevangen gezet, mishandeld em met het zwaard onthoofd.
Enkele van zijn leerlingen legden het stoffelijk overschot van Jacobus in een boot. Door een engel geleid voer deze schuit naar Spanje, waar ze strandde in Padron op twintig kilometer van het huidige Santiago de Compostela. Daar werd het lichaam begraven in een sarcofaag.Eeuwen later, in 813, verscheen er een engel aan de kluizenaar Pelagius, die hem vertelde dat Jacobus in een bos in de buurt begraven lag. Nadat het graf gevonden werd, liet Koning Alfonso II wat verderop een graftombe en een kapel oprichten. Rond deze kapel groeide stilaan de stad Santiago de Compstela en werd in de loop der eeuwen een kathedraal gebouwd.
In 951 gaat Godescale, Bisschop van le Puy, op pelgrimstochtbedevaart naar Compostela. Zijn voorbeeld zal in de jaren 1000 - 1300 grote navolging kennen.
Voor de eenvoudige, middeleeuwse pelgrim was het niet gemakkelijk de juiste weg naar zijn einddoel te vinden. Op een wegenkaart moest hij niet rekenen. Bovendien kon hij zich niet verstaanbaar maken in het Spaans. Onderweg moest hij tal van gevaren trotseren: honger, kou, rovers, wilde dieren, ...
Vandaag is het moordend autoverkeer een permanent gevaar voor de (fietsende) pelgrim.
Logies vinden voor de nacht was voor de middeleeuwse pelgrim een hele opgave. Huizen waar ze welkom waren hadden als herkenningsteken een schelp op de gevel. Langs de Camino vond de behoeftige pelgrim onderdak in gasthuizen. Bij goed weer had hij recht op één nacht gratis verblijf. Tijdens de wintermaanden en op moeilijke plaatsen zoals bergpassen mocht hij er drie tot vijf dagen verblijven. Religieuze orden gingen zich meer en meer bekommeren om het lot van de pelgrims.
De moderne pelgrim heeft de keuze tussen de tent, het gastgezin, een klooster, de refugio (pelgrimsverblijf langs het Spaanse gedeelte van de Camino), in pensions of hotels.

De credential del peregrino is een bewijsstuk dat de persoon die onderdak vraagt ook werkelijk op pelgrimstocht is. Bij elke halte onderweg vraagt de pelgrim een stempel in zijn 'credential'. Al deze stempels samen vormen het bewijs dat de persoon die deze credential voorlegt de tocht naar Compostela ook werkelijk op eigen kracht aflegt.
